Waar is thuis? Voor mij is dat een innerlijke vraag. Ik vind het moeilijk om me werkelijk thuis te voelen. “Voel je thuis!” wordt soms gezegd wanneer je ergens binnenkomt of aan het begin van een kerkdienst. Maar hoe doe je dat?
Beeld 1: De thuisloze
Een thuis biedt veiligheid en houdt de pijn van onveiligheid buiten de deur. Maar bestaat er eigenlijk wel zo’n thuis? In ieder geval niet in het leven van Jezus. Hij zegt Zelf in Mattheüs 8:20:
“De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten; maar de Zoon des mensen heeft niet waar Hij het hoofd nederlegge.”
Een overzicht van Zijn leven verduidelijkt deze uitspraak:
- Hij wordt geboren als thuisloze (Lukas 2:7).
- Hij wordt daarna een vluchteling (Mattheüs 2:14).
- Hij leeft als dakloze (Lukas 7:58).
- Hij wordt uit huis geplaatst (Mattheüs 12:49).
- Hij wordt uiteindelijk uit huis gezet (Mattheüs 21:38–39).
Kortom: Hij is een thuisloze.
Beeld 2: De uithuisgeplaatste
Met die uitspraak waarschuwt Jezus ons: wie Hem volgt, wordt zoals Hij, iemand zonder aardse thuis. Maar wat is ons thuis? Wij waren thuis bij God, en daarmee ook bij onszelf. Maar onze kleren vertellen ons inmiddels dat we niet langer thuis zijn bij onszelf, en ook niet bij God; we voelen ons onveilig (Genesis 3:7–8) [1]. We zijn een uithuisgeplaatste. Om die innerlijke pijn maar niet te hoeven voelen, bouwen we versterkte steden, wonen we achter sloten en muren, en trekken we een muur op om ons eigen hart. Met allerlei technische hulpmiddelen proberen we de verloren veiligheid van het paradijs terug te winnen. En als dat ons niet lukt, zijn er technische middelen om de pijn te verdoven. Maar daarmee komen we niet thuis. We blijven uithuisgeplaatsten.
Beeld 3: De zwerver
Daarom roept Jezus mij uit mijn zelfgebouwde bunker van schijnveiligheid. Hij nodigt mij uit Hem te volgen op de weg terug naar het Vaderhuis. Maar dat betekent wel dat ik onder ogen moet zien dat ook ik een thuisloze ben, op de vlucht voor God en voor mezelf. Ik ben door God uit huis gezet, en Jezus komt mijn situatie binnen. Hij staat daar als de mens, en in die Ander zie ik mezelf weerspiegeld. Het pijnlijke is dat ik in die spiegel moet kijken en in die zwerver mezelf moet herkennen. Dat beeld doet pijn.
Keuze: De pijn weg, of de pijnweg
Ik voel me niet thuis, en ik verlang naar een definitieve oplossing voor dat knagende gevoel van ontheemding. Daarmee sta ik op een tweesprong:
- Ik kan blijven vluchten voor God om de pijn niet te hoeven voelen; maar dan kom ik niet thuis.
- Ik kan Jezus volgen, dwars door de pijn heen, op de weg terug naar het Vaderhuis.
הַתִּקְוָה
De Hoop,
Gert Jan
[1] Bert Reinds, Kwetsbaar (Barneveld: Plateau, 2001), 19–21.
Titelfoto: Ceescamel, Jezus als daklozen van Schmalz naast de Mozes en Aäronkerk Waterlooplein Amsterdam, 2023, CC BY-SA 4.0.





