Wie ontmoet ik in een ontmoeting? Het meest voor de hand liggende antwoord is: de ander.
Spiegel 1: Ik zie Hem
Omdat het kerkgebouw verbouwd moest worden, hield de gemeente waarvan ik toen lid was de diensten in een kale ruimte. Je kunt je dat voorstellen als een barak waarin een kleine groep mensen kerk hield en waar ook het Heilig Avondmaal werd gevierd. Tijdens de bediening van het Avondmaal las de predikant Jesaja 53 over de lijdende Knecht des HEEREN. Dit raakte mij diep, al begreep ik niet waarom. Wat was hier de boodschap voor mij? Langzaam werd het mij duidelijk. Juist daar, in die barak, stond Hij voor mij: de Koning der Joden. Hij was afzichtelijk: Zijn doornenkroon, Zijn soldatenmantel, Zijn bespuugde gezicht, Zijn kapotgeslagen rug. Ik zag Hem. Hij was veracht.
Spiegel 2: Hij laat mij mijzelf zien
Zonder woorden sprak Hij mij aan, in een taal die ik niet wilde horen. Ik keek in de spiegel van Johannes 19:5, waarin ik niet wilde kijken:
“Ziet, de Mens!”
Ik wilde sterk zijn en wilde daarom mijn zwakheid niet zien. Maar het ene is niet te zien zonder het andere. In de spiegel van mijn grootheid zie ik mijn ellende, en in de spiegel van mijn ellende zie ik mijn grootheid [1]. In de Messias zag ik mijn kwetsbaarheid. En juist daarmee wilde ik niet geconfronteerd worden, want ik wist uit ervaring hoe gevaarlijk het is om kwetsbaar te zijn. Hoe harder ik mijn kwetsbaarheid probeerde weg te drukken, hoe nadrukkelijker de Koning der Joden voor mij stond. En Zijn gelaat zei: jij veracht Mij.
Spiegel 3: Ik zie mezelf
In diezelfde periode werd ik op straat geconfronteerd met een zwaar dubbelgehandicapte man, die in zijn rolstoel scheef hangend op de rand van de stoep stond. Het eerste wat door mij heen schoot was: “Kunnen ze dit vuil niet ophalen, zodat ik er niet tegenaan hoef te kijken?” In mijn leven was geen plaats voor inferieure mensen zoals deze gehandicapte, en daarmee ook niet voor Joden, de inferieure mensen bij uitstek, en dus zeker niet voor de Koning der Joden. Ik wilde mijn eigen vergankelijke gezicht niet zien. Want er hoeft maar iets te gebeuren, of ook ik sta dubbel gehandicapt in zo’n rolstoel op de rand van de stoep, klaar voor de ophaaldienst van een eigentijds euthanasieprogramma. Die man in die rolstoel was voor mij een spiegel. Toen ik daarin keek, ontmoette ik mezelf: een nazi.
אֶמֶת
Waarheid,
Gert Jan
[1] Blaise Pascal, Gedachten, vert. Frank de Graaff (Amsterdam: Boom, 1997), 48–49, fragment 122.
Titelfoto: George Hodan, wheelchair, 2012, CC0 1.0.





