Waarom ik deze artikelen schrijf? Dat is niet omdat ik het fijn vind om met taal bezig te zijn en ik me in taal goed kan uitdrukken. Integendeel, ik ben door mijn lage taalvaardigheid juist met allerlei vooroordelen geconfronteerd.
Vooroordeel 1: Taalzwakte verdwijnt door harder te werken.
Voor mij is taal een struikelblok. Het uiten van mijn gedachten en gevoel doormiddel van taal is hierdoor lastig. Ik heb namelijk een bijzondere eigenschap: voor iemand met mijn intelligentie beschik ik over een lage taalvaardigheid. Ik ben taalzwak. Dat bleek al op de lagere school, en op de middelbare school was ik ronduit slecht in talen. Voor mijn huiswerk besteedde ik dagelijks drie uur aan het leren van talen, en daarna nog een half uur aan de andere vakken. Het resultaat van al dat leren? De onvoldoendes voor talen waren net niet zo ernstig dat ik bleef zitten. Intelligentie kan dyslexie lang compenseren en camoufleren. Maar er komt een moment waarop die grens bereikt wordt [1]. Voor mij gebeurde dat pas aan de universiteit, toen ik mijn afstudeerscriptie schreef. Toen viel eindelijk het woord: woordblindheid.
Vooroordeel 2: Taalzwakte is verwijtbaar.
Deze eigenschap heeft ook sociale gevolgen. Want afwijkingen van deze norm worden vaak niet geaccepteerd, maar veroordeeld. In mijn werkcontext verwacht men een taalvaardigheid die past bij een academisch denk- en werkniveau. Omdat dat voor mij niet vanzelfsprekend is, word ik, vaak nog voordat ik het zelf doorheb, negatief beoordeeld. Uit frustratie hierover formuleerde ik bij mijn proefschrift de volgende stelling:
“Het zou een verheugende ontwikkeling zijn als dyslexie niet meer zou worden geassocieerd met domheid, slordigheid of gemakzucht.”
Om te overleven in deze talige wereld, vertrouw ik altijd op de automatische spellingscorrectie. Soms kan ik zelfs mijn vermoeidheid aflezen aan het aantal rode lijntjes: hoe meer fouten de computer aangeeft, hoe vermoeider ik ben.
Vooroordeel 3: Taalzwakte is een gebrek.
Toch is deze afwijking ook de keerzijde van een kwaliteit. Toen mijn taalzwakte eindelijk een naam kreeg, liet ik me onderzoeken. Daar werd me een ander woord aangereikt: beelddenken. Mijn hoofd zit vol beelden die ik wil delen, maar het kost me veel pijn en moeite om die rijke, directe indrukken om te zetten in lineaire taal die begrijpelijk is voor talige mensen. Maar waarom zouden mijn denkbeelden minder waardevol zijn, alleen omdat ze niet passen binnen de talige norm van de meerderheid?
Vooroordeel 4: Taalzwakte maak de inhoud van de tekst ongeloofwaardig.
Zelfs de apostel Paulus kende dit probleem van verwachtingen rond taal. Over hem werd gezegd (2 Korinthe 10:10):
“Maar de tegenwoordigheid des lichaams is zwak, en de rede is verachtelijk.”
Paulus was blijkbaar geen groot redenaar. In de sociale context van zijn tijd telde overtuigingskracht vooral mee als je kon uitblinken in retorica. En juist daaraan voldeed hij niet. Toch blijkt uit de groei van de christelijke gemeenten dat zijn boodschap juist wel overtuigde. Niet door retorische kunstgrepen, maar door de kracht van de inhoud. Dit voorbeeld van de apostel, is een van de voorbeelden die me motiveert om in zwakte mijn boodschap te schrijven. Uiteindelijk is het niet de vorm die telt, maar de waarde van de inhoud.
הַטּוֹב
Het Goede,
Gert Jan
[1] Marina Scheers (red.), Niet dom, maar woordblind (Baarn: In den Toren, 1984), 14.
Titelfoto: Markus Winkler, scrabble letters spelling out the word text, 2024, Pexels license





